7: Protocol ‘pesten’

Pesten komt op iedere school voor; ook bij ons! Het is een probleem dat wij onder ogen zien en serieus willen aanpakken. Vandaar dit protocol waarin wij het probleem pesten benoemen en tevens beschrijven wat we met pesten doen.

Het probleem dat pesten heet:

  • de piek van het pesten ligt tussen 10 en 14 jaar, maar ook in lagere en hogere groepen wordt er gepest;
  • een pestproject alleen is niet voldoende om een eind te maken aan het pestprobleem. Het is beter om het onderwerp regelmatig aan de orde te laten komen, zodat het ook preventief kan werken.

Signalen van pesterijen kunnen o.a. zijn:

  • altijd een bijnaam, nooit bij de eigen naam noemen;
  • zogenaamde leuke opmerkingen maken over een klasgenoot;
  • een klasgenoot voortdurend ergens de schuld van geven;
  • briefjes doorgeven;
  • beledigen;
  • opmerkingen maken over kleding;
  • isoleren; • buiten school opwachten, slaan of schoppen;
  • op weg naar huis achterna rijden;
  • naar het huis van het slachtoffer gaan;
  • bezittingen afpakken;
  • schelden of schreeuwen tegen het slachtoffer.

Deze lijst kan nog verder worden uitgebreid: je kunt het zo gek niet bedenken of volwassenen en dus ook leerlingen hebben het bedacht. Leerkrachten en ouders moeten daarom alert zijn op de manier waarop kinderen met elkaar omgaan en duidelijk stelling nemen wanneer bepaalde gedragingen hun norm overschrijden.

Regel 1:
Een belangrijke stelregel is dat het in schakelen van de leerkracht niet wordt opgevat als klikken. Vanaf de kleutergroep brengen we kinderen dit al bij: je mag niet klikken, maar…….. als je wordt gepest of als je ruzie met een ander hebt en je komt er zelf niet uit, dan mag je hulp aan de leerkracht vragen. Dit wordt niet gezien als klikken.

Regel 2:
Een tweede stelregel is dat een medeleerling ook de verantwoordelijkheid heeft om het pestprobleem bij de leerkracht aan te kaarten. Alle leerlingen zijn immers verantwoordelijk voor een goede sfeer in de groep.

Regel 3:
Samenwerken zonder bemoeienissen; School en gezin halen voordeel uit een goede samenwerking en communicatie. Dit neemt niet weg dat iedere partij moet waken over haar eigen grenzen. Het is bijvoorbeeld niet de bedoeling dat ouders naar school komen om eigenhandig een probleem voor hun kind op te komen lossen. Bij problemen van pesten zullen de directie en de leerkrachten hun verantwoordelijkheid (moeten) nemen en indien nodig overleg voeren met de ouders. De inbreng van de ouders blijft bij voorkeur beperkt tot het aanreiken van informatie, tot het geven van suggesties en tot het ondersteunen van de aanpak van de school.

Regels die gelden in alle groepen:

  1. doe niets bij een ander, wat je zelf ook niet prettig zou vinden;
  2. kom niet aan een ander als de ander dat niet wil;
  3. we noemen elkaar gewoon bij de voornaam en gebruiken geen scheldwoorden;
  4. als je kwaad bent ga je niet slaan, schoppen, krabben (je komt niet aan de ander); probeer eerst samen te praten;
  5. niet: zomaar klikken; wel: aan de juf of meester vertellen als er iets gebeurt wat je niet prettig of gevaarlijk vindt;
  6. vertel de meester of juf wanneer je zelf of iemand anders wordt gepest;
  7. blijft de pester doorgaan, dan aan de meester of juf vertellen. Kinderen die pesten zitten zelf in de nesten!
  8. word je gepest, praat er thuis ook over, je moet het niet geheim houden;
  9. uitlachen, roddelen en dingen afpakken of kinderen buitensluiten vinden we niet goed;
  10. niet aan spullen van een ander zitten;
  11. luisteren naar elkaar;
  12. iemand niet op het uiterlijk beoordelen of beoordeeld worden;
  13. nieuwe kinderen willen we goed ontvangen en opvangen, zij zijn ook welkom op onze school;
  14. opzettelijk iemand pijn doen, opwachten buiten school, achterna zitten om te pesten is beslist niet toegestaan;
  15. probeer ook zelf een ruzie met praten op te lossen. Na het uitpraten kunnen we ook weer vergeven en vergeten.

Deze regels gelden op school en daarbuiten.

Aanpak van de ruzies en pestgedrag in vier stappen:

Wanneer leerlingen ruzie hebben en/of elkaar pesten proberen zij en wij:

Stap 1:

Er eerst zelf (en samen) uit zien te komen.

Stap 2:

Op het moment dat een van de leerlingen er niet uitkomt (in feite het onderspit delft en verliezer of zondebok wordt) heeft deze het recht en de plicht het probleem aan de meester of juf voor te leggen.

Stap 3:

De leerkracht brengt de partijen bij elkaar voor een verhelderingsgesprek en probeert samen met hen de ruzie of pesterijen op te lossen en nieuwe) afspraken te maken. Bij herhaling van pesterijen/ruzies tussen dezelfde leerlingen volgen sancties (zie bij consequenties).

Stap 4:

Bij herhaaldelijke ruzie/pestgedrag neemt de leerkracht duidelijk stelling en houdt een bestraffend gesprek met de leerling die pest/ruzie maakt. De fases van bestraffen treden in werking (zie bij consequenties). Ook wordt de naam van de ruziemaker/pester in de groepsmap genoteerd. Bij iedere melding in de map omschrijft de leerkracht ‘de toedracht’. Bij de derde melding in de map worden de ouders op de hoogte gebracht van het ruzie/pestgedrag. Leerkracht(en) en ouders proberen in goed overleg samen te werken aan een bevredigende oplossing.

De leerkracht biedt altijd hulp aan de gepeste en begeleidt de pester, indien nodig in overleg met de ouders en/of externe deskundigen.

Consequenties

De leerkracht heeft het idee dat er sprake is van onderhuids pesten: in een dergelijk geval stelt de leerkracht een algemeen probleem aan de orde om langs die weg bij het probleem in de klas te komen.

De leerkracht ziet dat een leerling wordt gepest (of de gepeste of medeleerlingen komen het bij hem melden). En vervolgens leveren stap 1 t/m 4 geen positief resultaat op voor de gepeste: de leerkracht neemt duidelijk een stelling in. De straf is opgebouwd in 5 fases; afhankelijk hoelang de pester door blijft gaan met zijn/haar pestgedrag en geen verbetering toont in zijn/haar gedrag:

Fase 1:

  • een of meerdere pauzes binnen blijven;
  • nablijven tot alle kinderen naar huis vertrokken zijn;
  • een schriftelijke opdracht zoals een stelopdracht over de toedracht en zijn of haar rol in het pestprobleem;
  • door gesprek: bewustwording voor wat hij met het gepeste kind uithaalt;
  • afspraken maken met de pester over gedragsveranderingen. De naleving van deze afspraken komen aan het einde van iedere week (voor een periode) in een kort gesprek aan de orde.

Een gesprek met de ouders over de bovenstaande acties. De medewerking van de ouders wordt nadrukkelijk gevraagd om een einde aan het probleem te maken. De school heeft alle activiteiten vastgelegd in de groepsmap en de school heeft al het mogelijke gedaan om een einde te maken aan het pestprobleem.

Fase 2:

Bij aanhoudend pestgedrag kan deskundige hulp worden ingeschakeld zoals de Schoolbegeleidingsdienst, de schoolarts van de GGD of schoolmaatschappelijk werk.

Fase 3:

Bij aanhoudend pestgedrag kan er voor gekozen worden om een leerling tijdelijk in een andere groep te plaatsen, binnen de school. Ook het (tijdelijk) plaatsen op een andere school behoort tot de mogelijkheden.

Fase 4:

In extreme gevallen kan een leerling geschorst of verwijderd worden.

Begeleiding van de gepeste leerling:

  • medeleven tonen, luisteren en vragen: hoe en door wie wordt je gepest;
  • nagaan hoe de leerling zelf reageert, wat doet hij/zij voor, tijdens en na het pesten;
  • huilen of heel boos worden is juist vaak een reactie die een pester wil uitlokken. De leerlingen in laten zien dat je op een andere manier kunt reageren;
  • zoeken en oefenen van een andere reactie, bijvoorbeeld je niet afzonderen;
  • het gepeste kind in laten zien waarom een kind pest;
  • nagaan welke oplossing het kind zelf wil;
  • sterke kanten van de leerling benadrukken;
  • belonen (schouderklopje) als de leerling zich anders/beter opstelt; •
  • praten met de ouders van de gepeste leerling en de ouders van de pester(s);
  • het gepeste kind niet overbeschermen, bijvoorbeeld naar school brengen of ‘ik zal het de pesters wel eens gaan vertellen’. Hiermee plaats je het gepeste kind juist in een uitzonderingspositie, waardoor het pesten zelfs nog toe kan nemen.

Begeleiding van de pester:

  • praten; zoeken naar de reden van het ruziemaken/pesten (baas willen zijn, jaloezie, verveling, buitengesloten voelen);
  • laten inzien wat het effect van zijn/haar gedrag is voor de gepeste;
  • excuses aan laten bieden;
  • in laten zien welke sterke (leuke) kanten de gepeste heeft;
  • pesten is verboden in en om de school: wij houden ons aan deze regel; straffen als het kind wel pest en belonen (schouderklopje) als het kind zich aan de regels houdt;
  • kind leren niet meteen kwaad te reageren, leren beheersen, de ‘stop-eerst-nadenken-houding’ of een andere manier van gedrag aanleren;
  • contact tussen ouders en school; elkaar informeren en overleggen, inleven in het kind: wat is de oorzaak van het pesten?
  • zoeken van een sport of club; waar het kind kan ervaren dat contact met andere kinderen wel leuk kan zijn;
  • inschakelen van hulp: sociale vaardigheidstrainingen, Jeugdgezondheidszorg: huisarts, GGD. Oorzaken van pestgedrag kunnen zijn:
  • een problematische thuissituatie;
  • voortdurend gevoel van anonimiteit (buitengesloten voelen);
  • voortdurend in een niet-passende rol worden gedrukt;
  • voortdurend met elkaar de competitie aan gaan;
  • een voortdurende strijd om macht in de klas of in de buurt.

Adviezen aan de ouders van onze school

Ouders van gepeste kinderen:

  • houdt de communicatie met uw kind open, blijf in gesprek met uw kind;
  • als pesten niet op school gebeurt, maar op straat, probeert u contact op te nemen met de ouders van de pester(s) om het probleem bespreekbaar te maken;
  • pesten op school kunt u het beste met de leerkracht bespreken;
  • door positieve stimulering en zgn. schouderklopjes kan het zelfrespect vergroot worden of weer terug komen;
  • stimuleer uw kind tot het beoefenen van een sport;
  • steun uw kind in het idee dat er een einde aan het pesten komt.

Ouders van pesters:

  • neem het probleem van uw kind serieus;
  • raak niet in paniek: elk kind loopt kans pester te worden;
  • probeer achter de mogelijke oorzaak te komen;
  • maak uw kind gevoelig voor wat het anderen aandoet;
  • besteed extra aandacht aan uw kind;
  • stimuleer uw kind tot het beoefenen van een sport;
  • corrigeer ongewenst gedrag en benoem het goede gedrag van uw kind;
  • maak uw kind duidelijk dat u achter de beslissing van school staat.

Alle andere ouders:

  • neem de ouders van het gepeste kind serieus;
  • stimuleer uw kind om op een goede manier met andere kinderen om te gaan;
  • corrigeer uw kind bij ongewenst gedrag en benoem goed gedrag;
  • geef zelf het goede voorbeeld;
  • leer uw kind voor anderen op te komen;
  • leer uw kind voor zichzelf op te komen.

Dit ‘pestprotocol’ heeft als doel: “Alle kinderen mogen zich in hun basisschoolperiode veilig voelen, zodat zij zich optimaal kunnen ontwikkelen.”

Door regels en afspraken zichtbaar te maken kunnen kinderen en volwassenen, als er zich ongewenste situaties voordoen, elkaar aanspreken op deze regels en afspraken.

Door elkaar te steunen en wederzijds respect te tonen stellen we alle kinderen in de gelegenheid om met veel plezier naar school te gaan!