8: Protocol ‘kindermishandeling’

Inleiding

Volgens statistische gegevens worden ongeveer 10% van de kinderen mishandeld of misbruikt. Op elke school zullen er dus kinderen zijn die in een dergelijke situatie verkeren. Tijdens het werken met kinderen zijn er soms vermoedens dat er bij een of meerdere kinderen sprake zou kunnen zijn van mishandeling of misbruik. In dit protocol wordt aangegeven welke stappen de school onderneemt wanneer men geconfronteerd wordt met kindermishandeling. Het schoolbeleid is een aangelegenheid van de gehele school en daarom is het van belang dat het hele team betrokken is bij de vaststelling van het beleid. Uitgangspunt voor een vastgesteld beleid is dat later aan te stellen leerkrachten ook hun handelswijze erop af kunnen stemmen.

De in Nederland meest gebruikte definitie over wat er onder kindmishandeling wordt verstaan luidt als volgt:Kindermishandeling is elke vorm van lichamelijke of emotionele geweldpleging die aan kinderen overkomt, niet door ongeval maar door toedoen of nalaten van ouders of verzorgers waarbij afwijkingen bij het kind ontstaan of redelijkerwijs verwacht mag worden dat ze zullen ontstaan.

Er zijn verschillende soorten mishandeling te onderscheiden:

  • Lichamelijke verwaarlozing; Het kind krijgt onvoldoende voeding, kleding of verzorging
  • Emotionele verwaarlozing; Het kind krijgt onvoldoende liefde, aandacht of respect
  • Emotionele mishandeling; Het kind wordt getreiterd, gekleineerd of uitgescholden
  • Lichamelijke mishandeling; Het kind wordt geslagen, geschopt of geknepen
  • Seksueel misbruik; Seksuele handeling bij of met het kind, die niet passen bij leeftijd en ontwikkeling

Wat te doen bij kindermishandeling:

Fase 1: Vermoeden

  • inventariseer gegevens rond het vermoeden. Het startpunt ligt meestal bij de leerkracht, die vermoedt dat een kind het slachtoffer is van kindermishandeling. Hij / zij kan dit vermoeden op allerlei manieren krijgen. Soms berust dit op min of meer op zichzelf staande waarnemingen, in andere gevallen zendt het kind direct of indirect signalen uit;
  • let extra op kind en ouders, verzamel eventueel extra gegevens;
  • probeer een goed contact met ouders te krijgen en maak ongerustheid duidelijk.

Fase 2: Overleg

  • bespreek het kind met medecollega’s: leerkracht met een kind uit hetzelfde gezin, leerkracht van afgelopen schooljaar, gymleerkracht, leerkracht van parallelgroep e.d.;
  • bespreek de informatie met de Intern Begeleider. Aan bod komt: gedrag van het kind, gezinssituatie, relatie ouders – kind, signalen voor mishandeling, absentie, bevindingen medecollega’s;
  • het kind wordt besproken in een bouw- of teamvergadering of signaleringsvergadering. Alle leerkrachten worden dan van het vermoeden op de hoogte gesteld en kunnen vanuit hun eigen ervaringen met het kind of de thuissituatie van het kind het vermoeden bevestigen of ontkennen;
  • tijdens deze bespreking kunnen twee besluiten genomen worden;
    • er is waarschijnlijk niets aan de hand, maar voor alle zekerheid blijven we wel extra attent op nieuwe signalen;
    • er lijkt inderdaad sprake te zijn van een vorm van kindermishandeling en we zetten de volgende stap;
  • de Intern Begeleider bespreekt het kind met de jeugdverpleegkundige (GGD) tijdens een consultatie of een telefonisch gesprek. De jeugdverpleegkundige geeft advies;
  • er wordt een plan van aanpak (zie fase 3) gemaakt door de groepsleerkracht en de Intern Begeleider.

Fase 3: Plan

  • een gesprek met ouders waarin de ongerustheid wordt besproken. Aan de ouders wordt advies gegeven contact op te nemen met andere instanties. Hiervoor is schriftelijke toestemming nodig (dit kan zijn: jeugdverpleegkundige, schoolarts, schoolmaatschappelijk werker, orthopedagoog);
  • het kind wordt aangemeld bij een andere instantie via jeugdverpleegkundige (wordt casemanager);
  • de ouders en/of het kind worden opgeroepen voor een gesprek of onderzoek.

Tips voor het oudergesprek

Een dergelijk gesprek is natuurlijk niet bepaald eenvoudig (ouders kunnen de bezorgdheid van de leerkracht als bemoeizucht of kritiek ervaren en boos of angstig reageren) maar wel heel noodzakelijk. Het probleem ligt immers bij de ouders en als er in deze fase met hen wordt gesproken, hebben zij niet het gevoel, dat er achter hun rug om al van alles gebeurd is en is de kans op vrijwillige medewerking het grootst. Alleen als het echt niet anders kan, blijft een gesprek achterwege. Hierbij kan gedacht worden aan gevallen, waarin acuut ingrijpen noodzakelijk is of waarin het contact represailles naar het kind toe tot gevolg zou kunnen hebben. De directeur beslist hierover. In het geval dat de school ervoor kiest zelf een gesprek met de ouders/verzorgers aan te gaan, dient men de volgende punten in het oog te houden:

  • houd altijd voor ogen dat het voornaamste doel dat je hebt, is dat de mishandeling stopt, het gaat er niet om dat de ouders toegeven ‘fout’ gehandeld te hebben;
  • vermijdt de term kindermishandeling, kindermishandeling is een dermate beladen begrip dat iedere ouder zich wel afwijzend moet opstellen wanneer je suggereert dat hij/zij mishandeld;
  • vermijd het beschuldigen van de ouders/verzorgers, met beschuldigen bereik je alleen maar dat men gaat ontkennen, vraagt waarmee je je bemoeit, tegenbeschuldigingen uit, o.i.d.;
  • bedenk dat je het belang van het kind alleen maar schaadt met beschuldigingen;
  • bouw eerst een vertrouwensrelatie op; als ouders je nog niet of nauwelijks kennen is elk moeilijk gesprek al snel een bedreiging; ze weten niet wat ze aan je hebben en zijn bang je in vertrouwen te nemen;
  • bedenk dat vrijwel geen ouder voor zijn of haar plezier mishandelt; ouders die mishandelen zitten vaak zelf op een of andere manier in de problemen;
  • je bent het aan alle betrokkenen verschuldigd uiterst zorgvuldig te werk te gaan;
  • met ouders praten over problemen in de thuisrelatie is altijd moeilijk; vraag jezelf van tevoren af of je met deze ouders/verzorgers zo’, gesprek wel wilt aangaan;
  • het getuigt van meer professionaliteit om je grenzen en beperkingen te kennen dan om alles te willen kunnen (voer zo’n gesprek het liefst met z’n tweeën).

Fase 4: Uitvoering plan

Mogelijkheid 1:ouders werken mee;

het plan besproken in fase 3 wordt uitgevoerd. Hulpverlening wordt gecoördineerd door jeugdverpleegkundige

Mogelijkheid 2: ouders werken niet mee

  • als ouders niet op afspraak komen, dan meteen bellen en een andere afspraak maken (schriftelijk). Intern Begeleider en directie inlichten;
  • als ouders niet op tweede afspraak komen, dan stuurt directie een schriftelijke uitnodiging;
  • is er geen reactie op derde uitnodiging, dan AMK (Advies- en Meldpunt Kindermishandeling) om advies vragen. Dit meldpunt is gespecialiseerd in de problematiek omtrent kindermishandeling;
  • de Intern Begeleider belt het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling om de zorgen over het kind te bespreken. De school krijgt advies over wat je verder kunt doen, zonder dat het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling de zaak verder uitzoekt. De naam van het kind en het gezin, hoef je dan niet te noemen;
  • als advies melding is dan doet de school een open melding;
  • uit ervaring is bekend dat anonieme meldingen het vertrouwen van ouders in hun omgeving kunnen schaden en voor grote problemen kan zorgen. Daarom streeft het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling naar zo veel mogelijk openheid. Maar er kunnen redenen zijn om anoniem te blijven voor het gezin. Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling zorgt er dan voor dat informatie in het dossier niet tot de school te herleiden is; • als school kiezen we in principe voor een open melding door de directeur. Het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling zal dan:
    • aanvullende informatie inwinnen bij een huisarts, een consultatiebureau of op school
    • een gesprek aangaan met de ouders en soms ook met het kind
    • proberen de ouders te motiveren voor hulpverlening
    • de hulpverlening voor kind en ouders op gang brengen (zo nodig door inschakeling van de Raad voor de Kinderbescherming)
    • met de school overleggen welke rol ze kunnen blijven spelen
    • na enige tijd aan de school laten weten wat er met de melding is gebeurd

Fase 5: Evaluatie

  • blijf het gedrag van het kind nauwlettend volgen en leg dit vast;
  • voortgang bespreken tijdens consultatie met jeugdverpleegkundige;
  • voortgang bespreken tijdens bouw-, team- of signaleringsvergadering;
  • voortgang met ouders bespreken;
  • Intern Begeleider onderhoudt contact met het AMK.