9: Protocol ‘meerbegaafden’

Inleiding

In dit protocol richten we ons op het onderwijs aan meerbegaafde kinderen. Hieronder verstaan we kinderen die op meerdere ontwikkelingsgebieden (rekenen, taal, lezen, wereldoriëntatie) meer aan kunnen dan hun leeftijdsgenoten én hoogbegaafde leerlingen. Hierbij zijn de volgende kenmerken een richtlijn:

  • het kind is snel van begrip (heeft weinig instructie nodig);
  • het kind heeft een hoog werktempo (snel klaar met de weektaak);
  • het kind scoort structureel hoog bij methode en niet-methode gebonden toetsen;
  • het kind kan snel een probleem analyseren;
  • het kind heeft een voorkeur voor zelfstandig leren;
  • het kind heeft een scherp opmerkingsvermogen;
  • het kind heeft een voorkeur voor moeilijkere opdrachten;
  • het kind heeft een brede interesse. Kinderen die op één vakgebied opvallen als snelle werkers kunnen op dit vakgebied compacten en verdiepen. Ze vallen buiten dit protocol.

Signalering:

  • de kijklijst. Als een kleuter op school komt vullen de ouders de kijklijst in. Dezelfde lijst wordt een maand nadat de kleuter op school is, door de leerkracht ingevuld. De ingevulde lijsten worden met de ouders besproken om zo een beeld van het kind te krijgen. Een eventuele ontwikkelingsvoorsprong kan hier gesignaleerd worden; • de leerkracht kan n.a.v. observaties van werkhouding en resultaten vermoedens krijgen van meerbegaafdheid. De leerkracht geeft die vermoedens door tijdens de consultatiegesprekken met de Intern Begeleider;
  • toetsen uit het leerlingvolgsysteem kunnen een signaal afgeven. Als de cito-scores structureel hoog zijn, kan de school een vermoeden krijgen van meerbegaafdheid;
  • de ouders kunnen bij vermoedens van meerbegaafdheid de school informeren via leerkracht of Intern Begeleider.
  • Bij de signalering wordt het DHH, Digitaal Handelingsplan Hoogbegaafden, door zowel leerkracht als ouders ingevuld.

Diagnose:

Bij vermoedens van meerbegaafdheid wordt door de leerkracht en ouders het DHH MiddenHollandRijnstreek ingevuld en/of de versnellingswenselijkheidslijst. Volgens bijbehorende richtlijnen wordt de lijst door de Intern Begeleider en coördinator hoogbegaafden beoordeeld. Er zijn vier typen van meerbegaafden te onderscheiden:

1) de harmonisch begaafde leerling. Ze ondervinden geen problemen bij het doorlopen van de school;

2) de begaafde leerling met werkhoudingsproblemen. Ze verliezen de motivatie, krijgen leerproblemen, worden inactief;

3) de begaafde leerling met sociaal-emotionele problemen. Ze hebben andere gedragsnormen en interessen en voelen zich niet aangesproken en/of erkend;

4) de begaafde leerling met specifieke leerproblemen. Bijv. dyslexie of een dyssynchroniteit in ontwikkeling. Wanneer de lijst wijst richting onderpresteren, wordt als extra de kenmerkenlijst voor onderpresteerders ingevuld. De Intern Begeleider kan besluiten tot doortoetsen (diagnostisch onderzoek). Hierbij kan een keuze gemaakt worden uit methode of niet-methode gebonden toetsen (bijv. Cito-toetsen Ordenen, Taal voor Kleuters, DMT, Rekenen en Wiskunde, Toets Begrijpend Lezen, SVS of de Herfst- en Krokussignalering). De ouders kunnen op eigen initiatief, al of niet op advies van school onderzoek laten doen door een externe deskundige. Het advies van de deskundige wordt uitgevoerd als dit binnen de mogelijkheden van de school past.

De resultaten worden met de ouders besproken en vastgelegd in het leerlingdossier.

Handelingsplan:

Wanneer is vastgesteld dat het kind meerbegaafd is, moet daar vervolgens iets mee gedaan worden. Het reguliere onderwijsaanbod is voor hen niet voldoende, omdat:

  • in het reguliere onderwijsaanbod te veel wordt herhaald en geoefend;
  • de kinderen een didactische voorsprong hebben;
  • de reguliere stof te veel gericht is op reproductie i.p.v. creatief oplossend bezig zijn;
  • het extra werk in de methode niet voldoende en minder geschikt is voor deze kinderen.

Uitgangspunten zijn:

  • bij begeleiding van meerbegaafden kiezen we in eerste instantie voor compacten en verrijken/verdiepen, de eerste leerlijn;
  • een logisch gevolg van een didactische voorsprong zou versnellen kunnen zijn;
  • versnellen kan ook plaats vinden voor slechts één leergebied;
  • versnellen is bij voorkeur een voorbereiding op het overslaan van een groep;
  • een groep overslaan gebeurt bij voorkeur in de onderbouw.

Compacten

Met compacten wordt bedoeld het indikken van de methode door verantwoord te schrappen, rekening houdend met de onderliggende leerlijn. Voor rekenen hanteren we het compact programma van de rekenmethode Wereld in Getallen. We maken gebruik van routeboekjes voor de leerlingen van groep 3 t/m 8 waarmee ze zelfstandig aan de slag kunnen. In de boekjes wordt precies aangegeven welke stof ze kunnen overslaan, wat wordt aanbevolen en welke stof ze beslist moeten maken. Compacten gaat vaak samen met verrijken.

Verrijking en verdieping

Bij verrijking en verdieping krijgt de leerling op één of meerdere gebieden andere en meer leerstof aangeboden dan zijn medeleerlingen . Bij de keuze van de verrijkingsstof gaan we ervan uit dat het leren leren en leren denken centraal staat. Het materiaal moet het liefst zelfsturend zijn.

Versnellen; de tweede leerlijn

Een logisch gevolg van een didactische voorsprong bij een leerling of het versneld aanbieden van de leerstof is over het algemeen vervroegde doorstroming. Bij de besluitvorming voor versnellen spelen de volgende criteria een rol:

  • hoogbegaafdheid: er moet worden vastgesteld of het gaat om een leerling met zeer hoge intellectuele capaciteiten. • didactische voorsprong: het volledig overslaan van een groep is alleen raadzaam wanneer de didactische voorsprong bijna een jaar bedraagt en zich op meerdere leerstofgebieden manifesteert.
  • sociale en emotionele ontwikkeling: verondersteld moet worden dat de leerling aansluiting zal vinden bij zijn toekomstige groepsgenoten en zich emotioneel evenwichtig ontwikkelt.
  • geboortedatum: wanneer het een vroege leerling betreft, kan vervroegde doorstroming soms betekenen dat een leerling wel een heel groot leeftijdsverschil moet gaan overbruggen.
  • eerdere vervroegde doorstroming: wanneer een kind al eerder een groep heeft overgeslagen, is het veelal verstandiger om te kijken of er een compactings- en verrijkingsaanbod verzorgd kan worden.
  • houding leerkrachten: bij de toetsing aan bovengenoemde criteria speelt de mening van het team een belangrijke rol. Bekeken moet worden of er geen andere opties meer mogelijk zijn.
  • houding ouders: het is belangrijk dat er gekeken wordt naar wat de ouders willen. De vervroegde doorstroming moet ook thuis begeleid worden.
  • houding leerling: het is belangrijk dat er gekeken wordt naar wat het kind zelf wil. Er zijn kinderen die op grond van sociale of emotionele redenen liever bij hun eigen klas willen blijven.

Mogelijkheden voor aanpassing in de organisatie:

  • meerbegaafde leerlingen kunnen de leerstof van bepaalde vakgebieden klassenoverstijgend verwerken. Bijvoorbeeld een leerling uit groep 5 rekent in groep 6. Wanneer de lesroosters op elkaar worden afgestemd, kan in elke groep op dezelfde tijd hetzelfde vakgebied plaatsvinden;
  • een aantal gelijkgestemde leerlingen kunnen taken of projecten (werkstukken, WO-computer opdrachten, natuurkundeproefjes, techniekopdrachten) samen uitvoeren. Gedurende bepaalde uren van de dag werken ze buiten de groep in een daarvoor geschikte ruimte aan de uitvoering van de opdrachten. Begeleiding bij deze activiteiten is wel noodzakelijk.